De motorbrigades zijn jarig.

 

70 jaar (1949) geleden richtte onze administratie de eerste motorbrigades op. Tot deze maatregel moest dringend worden overgegaan omdat de snelle smokkelbakken onze douaniers op de fiets ronduit belachelijk maakten.



Van paard naar motorkracht


In de 19de eeuw bewaakte de douane de landsgrenzen ook nog te paard, stoer uitgerust met vuurwapens en een sabel. Geleidelijk verdween het paard echter uit beeld en bleven er enkel veldbrigades te voet over. De collega’s kregen daarbij indertijd een schaapszak op de rug. Pas op, het was een zak vervaardigd uit een “schaapsvacht” en deze was bedoeld om toch wat warm te blijven tijdens de lange diensturen, maar absoluut niet om erin te slapen. In sloten en grachten, bossen en weiden, wachtend op de smokkelaars, was het motto “Repos Jamais” en een wekker was al helemaal verboden.
In de 20ste eeuw werd de fiets ingevoerd, maar al snel bleek de jacht op  smokkelauto’s met dit vervoermiddel een regelrechte klucht. De veld- en fietsbrigades – hier en daar al versterkt door motorrijders en enkele in beslag genomen voertuigen - bleven nog een tijdje bestaan, maar structureel werden in de 2de lijn eigenlijk pas na de Tweede Wereldoorlog gemotoriseerde brigades gevormd om de smokkel met auto’s te bekampen.

Uit de toespraak van controleur Verheecke ter gelegenheid van 25 jaar Motorbrigade Brasschaat in 1974:

“Het was een zeer bescheiden begin met een 12-tal manschapen en 3 voertuigen. Dit autopark werd eerst aangevuld met buitgemaakte zware Amerikaanse wagens. Niemand zal de oude Chryslers van weleer zo licht vergeten. Later werd
het autopark vergroot met nieuwe, snelle Amerikaanse wagens. Daarbij kwam nog later de radio-uitrusting zodat alles compleet was om de smokkelaars mores te leren.

De tegenpartij, die altijd het initiatief in handen heeft gehad, paste zich echter snel aan. Toen we snelle wagens kregen, gingen zij over tot een tactiek van kracht en geweld. Volle banden verschenen op het toneel, gepantserde wagens, kraaienpoten werden geworpen, verblindingslichten aangewend en wij waren er reeds aan gewoon geraakt dat rookpotten tot de normale uitrusting van een smokkelauto behoorden. Het ging steeds hard tegen harder en de douane had het nadeel dat ze in haar optreden een zekere fair-play diende te behouden gelet op de beperkingen die haar waren opgelegd door de wetten en reglementen. De smokkelbazen speelden met grote kapitalen en vergden van hun handlangers het uiterste. De gangsters deden hun intrede in de wereld van de fraude.”
Het roemruchte verleden

Tot de gloriejaren van deze motorbrigades behoren ongetwijfeld de smokkelbestrijding in de periode 1950 – 1965 toen aan de Belgisch-Nederlandse grens de boter- en veesmokkelaars voornamelijk ’s nachts de douaniers trotseerden.

In het Schakelartikel “Van Smokkelcentrum tot Smokkelbestrijding over de Motorbrigade van Turnhout” lazen we dat dit niet altijd zonder slag of stoot verliep en dat er regelmatig slachtoffers vielen:

Die jaren hebben ook sporen nagelaten in de brigade; twee collega's overleden in dienst (Jan Segers en Jozef Hoskens) en in totaal verbleven 27 collega's in de kliniek als gevolg van kleine en grotere verwondingen opgelopen bij de smokkelbestrijding
.

BTW-controles

Vanaf 1 juli 1971 werd een strengere controle op de BTW ingesteld. Voor deze taak werd beslist om de motorbrigades in te zetten.
Sinds december 1972 controleerden over het hele land zo’n 25 motorbrigades 24 uur op 24 en 7 dagen op 7 op de weg.
De ploegchef van de toenmalige Motorbrigade in de Belliardstraat in Brussel vertelde: “Transporten die “controlegevoelig” zijn, hebben in de eerste plaats betrekking op vlees, schoenen, meel, (nieuwe) meubelen, veevoeder, afgewerkte textielproducten… misschien een eigenaardige lijst maar hier kan serieus geknoeid worden met de BTW.”
Van de grens naar het binnenland

De realisatie van de Europese Interne markt op 1 januari 1993 had tot gevolg dat de douaneambtenaren niet meer permanent fysiek aanwezig waren aan de binnengrenzen van de EU.  Men vroeg zich af: “Bestaat de douane dan nog wel?” Maar het antwoord liet niet lang op zich wachten, want de mensen werden op zowat alle binnenwegen van België geconfronteerd met douaniers die bestuurders en hun wagens onderwierpen aan een vrij strenge controle.
Getuigenis van collega Patrick Vandamme

Bij de afschaffing van de grenzen in 1993 breidden de mobiele teams massaal uit.  Ze heetten dan nog Motorbrigades, een term die over de jaren diverse keren zou veranderen.

De dienst werd uitgevoerd met éénkleurige voertuigen die varieerden van beige, over grijs en blauw.  Sirenes waren er nog niet, en een blauwe pot met zwaailicht moest aangesloten worden op de sigarenaansteker.  Deze voertuigen hadden een uitstoot waarmee ze heden ten dage in geen enkele stad meer zouden binnen mogen.  Ik herinner me nog dat we een voertuig controleerden vóór de ingang van een hotel, en we onze motor lieten draaien.  Na enkele minuten kwam de receptionist ons vragen om de motor stil te leggen, omdat het brandalarm afging binnen….
Na verloop van tijd kwamen dan toch de witte voertuigen met gele streep, en voorzien van zwaailicht en sirene zodat we echt met prioritair voertuig konden optreden.  En de laatste jaren werden dan de voertuigen gestreept volgens het patroon van de politievoertuigen.

En ook de elektronische evolutie stond niet stil.  Daar waar in de eerste jaren alles wat gecontroleerd werd nog moest genoteerd worden in een register,  evolueerde dit door de jaren naar het gebruik van de computers langs de baan.  Gegevens kunnen nu ter plaatse opgezocht worden, in plaats van te moeten telefoneren naar een of andere dienst. 

En ook de diensten zelf veranderden.  In de eerste jaren na 1993 werd er naast controle op documenten, lading, diesel en taksvrij ook gecontroleerd op verkeersbelasting.  Nadien kwam daar nog het Eurovignet bij.  De boetes liepen hoog op, vaak tot ergernis van de chauffeurs.  En ook hier diende in het begin alles nog met de pen en carbonpapier te gebeuren. 
Dieselcontroles gebeurden in een buisje waaraan anyline-acetaat werd toegevoegd, product waarvan later werd ondervonden dat dit eigenlijk niet zo goed was voor de gezondheid van de ambtenaren.  Dieselstalen moesten voortaan opgestuurd worden naar het Labo van de Douane.

Bij avondlijke of nachtelijke controles wekte een stroomgenerator op benzine energie op, om toch maar licht te kunnen creëren om de controles uit te voeren.  Het geluid en de stank werd er maar bijgenomen.

Later kwamen er ook printers in de voertuigen,  kon de dienstcomputer aangesloten worden en alles elektronisch afgewerkt worden.
De verkeersbelasting ging over naar de Vlaamse Gemeenschap,  en het Eurovignet werd vervangen door de Viapas, zodat deze twee taken niet meer voor onze diensten waren.
In de plaats kwam eind 2013 de slimme camera ANPR, waardoor bestuurders die nog een penale boete openstaan hadden, konden herkend worden.   Dit systeem nam snel een hoge vlucht en jaarlijks werden vele duizenden euro’s aan boetes geïnd.

Na de aanslagen van 22 maart 2016 werden de mobiele teams ook ingezet voor de bewaking van verscheidene mogelijke doelwitten, zoals kerncentrales.  Ook de wapenopleiding werd hieraan aangepast en meer politioneel gericht.  En steeds meer worden er (ook door personeelsgebrek) acties georganiseerd met diverse teams van AADA samen en in samenwerking met politie- en andere diensten.

We kunnen besluiten met te zeggen dat de mobiele teams een hele evolutie hebben meegemaakt !

In de beginfase was o.a.de MB Turnhout uitgerust met de iconische Willy's jeep maar die voldeed niet bepaald aan de verwachtingen.

De begrafenis van een collega uit de MB Turnhout;

mogelijk gaat het om douanier Jan Segers die verongelukte tijdens een actie op 10 maar 1958

Tekst: Anne Van Puymbroeck

Foto 2 : Collectie D&A-museum, via Rik en Hubert Michiels

Foto 3 : Collectie D&A-museum, via Jos en Jan Cnaeps

De overige foto's: Schakelarchief

 

 

N.v.d.r.: Met oprechte dank aan Patrick Vandamme, voor zijn fijne getuigenis en Francis Huijbrechts voor de controle van de historische juistheid van deze tekst.

˜