Een DOUANELEVEN
UIT DE TWEEDE HELFT VAN DE TWINTIGSTE EEUW
57. VOLKSREPUBLIEK  CHINA  10 - DE VERBODEN STAD
 

Wordt vervolgd

Tekst: Antoine Van Ooteghem

 

Foto boven: "Verboden Stad" - PublicDomainPictures via Pixabay

Foto midden: "Tiananmenplein" - Kai Song via Pixabay

Foto onder: "Chinese muur" - Siggy Nowak via Pixabay

 

 

 

"Verboden Stad" - PublicDomainPictures via Pixabay

Eén van de grootste attracties van Beijing is ongetwijfeld de "Verboden Stad". Rechtover het reusachtige Tiananmenplein ligt het paleizencomplex dat de keizer van China voor het grootste deel van zijn tijd bewoonde. De naam "Verboden Stad" vindt zijn oorsprong in het feit dat de modale Chinees tijdens het keizertijdperk deze gronden niet mocht betreden. De keizer beschikte in de onmiddellijke nabijheid nog over een ander paleis, met name zijn zomerpaleis, maar de “Verboden Stad” was veel groter.

 

 

"Chinese muur" - Siggy Nowak via Pixabay
"Tiananmenplein" - Kai Song via Pixabay

Wanneer je vanaf het Tiananmenplein de Verboden Stad - die nu "Palace Museum" genoemd wordt - wilt binnengaan, dien je eerst een bruggetje over te steken dat je op zijn hoogste punt ongeveer een meter boven de begane grond brengt. Van daaruit heb je dan een panoramisch zicht op de toegangslaan die start onder het levensgrote portret van Mao. Vanop die brug kijk je neer op de massa bezoekers van het paleis. Het ziet er steeds, letterlijk, zwart van het volk. Voor Chinezen is dit duidelijk een uitstap. "In Beijing is het precies of op ieder moment van de dag de voetbalmatch juist gedaan is" zei ik tegen Bai. Hij grinnikte omdat hij wellicht mijn beeldspraak niet begreep. "Zwanzen" is er bij Chinezen meestal niet bij; ze hebben wel andere zorgen aan hun hoofd. Eens de toegangspoort gepasseerd, word je direct geconfronteerd met de uitzonderlijke rijkdom van dit paleis. Alle balustrades en trappen zijn vervaardigd uit wit marmer dat minutieus en overvloedig gesculpteerd is. De paleizen zelf zijn rood van kleur met gele daken en balken in hevige groene, blauwe en gele kleuren. De uitgebalanceerde daken zijn bezet met allerlei beelden van gelukbrengende diertjes.

 

Het 720.000 vierkante meter grote paleizencomplex bestaat uit twee afzonderlijke delen: het voorste gedeelte omvat drie grote hallen: vooraan de hal van de grote harmonie, dan de hal van de middelste harmonie en dan – neen, niet de hal van de laatste harmonie - maar wel de hal van de bewarende harmonie. In deze drie hallen werden de belangrijke plechtigheden gehouden. Je vindt er een troon, omringd met pauwenveren en allerlei voorwerpen in koper en jade. Reigers komen, als gelukbrengende vogels, veelvuldig voor. Sommige van de paleizen doen dienst als tentoonstellingsruimte voor de schatten die de keizers hebben verzameld.

In het tweede gedeelte  vind je de gebouwen waar de keizer zich ophield met zijn vrouwen, zijn bijzitten en zijn kinderen. Hij leefde in de paleizen van de "hemelse zuiverheid" en de "aardse kunst". Zes paleizen van het oosten en zes van het westen worden gescheiden door de keizerlijke hof; een pracht van een lusthof met frivole gebouwtjes, kunstmatige rotspartijen, bloemen alom, fantastische koperen werkstukken in allerlei vormen en eeuwenoude, bewonderenswaardige bomen die je naar hun vorm en uitdrukking eveneens kunstwerken kunt noemen. Sommige paleizen richtte men sinds 1947 opnieuw in met de originele meubels en decoratie. Andere herbergen speciale tentoonstellingen zoals traditionele schilderijen, keramiek, brons en ambachtelijk werk. Eén van de paleizen bevat honderden verschillende uurwerken, het ene al meer bizar dan het andere. In een ander paleis zag ik een dolk, bezet met edelstenen, precies afkomstig uit de sprookjes van duizend-en-een-nacht: wereldbollen bezet met parels, bloemstukken uitsluitend bestaande uit glas in velerlei kleuren. Ik staarde sprakeloos naar een blok jade van naar schatting twee meter hoog in de vorm van een kegel met een basis van zeker één meter diameter. Hij was volledig versierd met uitgesneden menselijke figuren van nauwelijks 15 cm hoog die allerlei werkzaamheden uitvoerden voor het winnen en bewerken van jade. De mensen en de dieren op dit stuk jade hebben ieder een eigen uitdrukking en zijn zo gedetailleerd uitgesneden dat je de vingers van de handen kan tellen.

 

Je zou dagen in deze "forbidden city" kunnen rondlopen. Dat deed ik niet maar ik ben toch verschillende keren op bezoek geweest. Voor de toegang moest je het niet laten want voor 15 Belgische frank (€0,37) mocht je binnen. Ik verliet de paleizen aan de andere kant dan degene waar ik binnengekomen was en kwam zo in de Fuomingstraat, een drukke winkelstraat. Plots stond ik voor een apotheek en kon het niet laten even binnen te stappen. Dat waren nog apothekers, zeg. Twee van de muren waren voorzien van honderden kastjes. Hiervoor stond een lange toog en daarachter renden enkele Chinezen over en weer. Als ze het recept van iemand kregen, namen ze een dubbel blad uit de krant dat ze op de toog deponeerden. Ze renden vervolgens naar één van de kastjes, haalden daar een deel gedroogde kruiden uit, wogen die op een weegschaal af en deponeerden dit op het krantenpapier. Vervolgens stapten ze weer op een andere bak af, namen een greep kruiden, wogen ze af en legden ze op het krantenpapier. Zo brachten ze een aantal (ik telde eens tot acht) kruiden bij elkaar voor ze het krantenpapier dichtknepen en het mengsel aan de klant overhandigden. De patiënt zal daar dan thuis ongetwijfeld een aftrekseltje van maken en dit dan zoveel keer per dag innemen. Vervolgens staat hij of zij dan even ver als wij wanneer we naar de apotheek zijn geweest : afwachten of het helpt.

 

In dezelfde straat vond ik ook een fotowinkel waar ik mijn foto's aan een treffelijk prijsje voor een behoorlijke kwaliteit kon laten ontwikkelen. Een paar dagen later belandde ik terug in deze fotowinkel met de vriend Bai. Mijn begeleider had namelijk een tamelijk gesofistikeerd fototoestel met wisselbare lenzen. Daar was hij aan geraakt omdat hij een paar jaartjes studeerde aan een Amerikaanse universiteit. Die studie had hem niet zoveel centen opgebracht maar, zoals dat bij veel Amerikaanse studenten het geval is, had den Bai ook een studentenjob uitgeoefend. Van de verdiende centen had hij een prachtig fototoestel gekocht en mee naar huis gebracht. Daar had hij  bij zijn buren en bij de collega’s op de universiteit zeer veel bewondering voor gekregen. Nu had hij echter het lenshuis geforceerd en zo kwamen wij voor de herstelling ervan bij de winkel terecht. Er zou een bestek opgemaakt worden. Enkele dagen nadien vertelde Bai mij met tranen in de ogen, dat het een bestek werd ten bedrage van 7.000 Belgische frank (€173,53). Als je weet dat de vriend Bai een goeie 700 frank (€17,35) in de maand verdiende, dan begrijp je ook dat zijn toestel nog steeds niet hersteld was, want spijtig genoeg was de man die hij moest begeleiden ook geen echte Rotschild. "In welke wereld leven wij toch" zou vader Backeljau zeggen.

 

In en rond Peking bezocht ik nog heel wat tempels, de ene al merkwaardiger dan de andere. De meest excentrieke vond ik de tempel van de lachende boeddha's. Stonden daar toch wel vijfhonderd en enkele (ik heb ze niet geteld) afbeeldingen van Boeddha zeker. Allemaal in koper en variërend van anderhalve meter hoog (de meeste) tot een dertigtal centimeter. Al die boeddha's hadden een verheven glimlach om de lippen. Spijtig dat ze geen klank gaven, dat zou daar nogal een lachsalvo geven. Ook het zomerpaleis is de moeite waard. Het is een lusttuin gebouwd rond een idyllisch meer waarop een reusachtige boot in arduin aangemeerd ligt. Het ganse terrein is omringd door een open gaanderij. De gangen zijn zeker een kilometer lang en om de twee meter heb je een balk tegen het plafond waarvan telkens zowel de voor- als de achterzijde is beschilderd met een natuurzicht. Honderden en honderden prentjes, allemaal verschillend. Alleen deze permanente schilderijententoonstelling is reeds een bezoek waard.

 

Het zomerpaleis ligt niet ver buiten de hoofdstad. Dat ik dat nog zo goed weet, ligt aan het feit dat ik daar ambras (nou ja) had met een taxichauffeur. Op mijn vraag om mij naar het centrum van Peking terug te voeren, weigerde hij pertinent. Zijn Chenglish (Chinees + Engels) was zo goed dat ik uiteindelijk begreep dat de rit niet ver genoeg was om er iets aan te verdienen en als hij mij zou vervoeren, was hij zijn plaats kwijt. Zelfs dreigementen met de minister van Vervoer lieten hem koud zodat ik verplicht was de terugweg te voet aan te vatten. Even onderweg stopte gelukkig een taxi die waarschijnlijk terugkeerde van een rit. Hij bracht mij bij de "tempel van de helse vrede". Dit ronde, in hemelsblauw, felgroen en korengeel uitgedoste gebouw, gelegen op een klein heuveltje, is het mooiste gebouw dat ik ooit gezien heb. Zijn proporties zijn zo volmaakt dat de aanblik een hemels gevoel van rust over je heen brengt. Toen ik door het park terug naar mijn hotel ging, heb ik zeker tien keer omgekeken om dit beeld van volmaaktheid voor altijd in mijn geheugen te griffen.

 

En dan was er natuurlijk ook nog het obligate bezoek aan de GROTE MUUR. Tijdens de les hadden mijn leerlingen mij al gevraagd of ik reeds dit wereldwonder had aanschouwd. Bij mijn ontkenning nodigden zij mij uit om samen met hen een bezoek te brengen. Alles leek in kannen en kruiken maar de dag voor onze uitstap kwam Bai mij opzoeken met de mededeling dat het reisje samen met de studenten niet doorging. Op mijn "Waarom niet?" antwoordde hij dat zij veel te vroeg in de morgen moesten vertrekken en dat wij apart gingen reizen in het gezelschap van nog enkele andere leraars. Ik was eigenlijk liever met de studenten meegegaan maar er was geen lievemoederen aan. Wij reisden dus in een minibusje met een man of acht naar de grote Chinese Muur. De reis verliep voorspoedig want de weg ernaar toe leek gekend alhoewel de (beton)weg op bepaalde moment zo slecht was, dat het busje precies op vierkante wielen reed. Het bleek echter alleen maar aan het beton te liggen dat men waarschijnlijk vergat te effenen terwijl het nog nat was.

 

 

 

Aan de toegang tot de "Muur" stonden verschillende grote bussen en, ja hoor ... niet te geloven, kraampjes met souvenirs zoals T-shirts met de tekst "I climbed the great wall" en kaki-petjes zoals ze in de tijd van Mao droegen. De "Chinese Muur" is een indrukwekkend gevaarte. Grote stenen op elkaar gemetst tot een hoogte van meer dan tien meter en een breedte van zeker drie meter. Je kan het gevaarte over verschillende kilometers door de heuvels in het landschap zien slingeren. Op geregelde afstanden zijn uitkijkposten gebouwd. Het hoogteverschil wordt overwonnen door moeilijk begaanbare trappen met treden van meer dan een halve meter hoogte. Het is een heel karwei om enige afstand op die muur af te leggen. Dat was dan ook de reden dat mijn leerlingen, toen ze hoorden van mijn bezoek aan de muur, zeiden: "When you’ve climbed the great wall, you're a hero; when you haven’t, you're a zero" of “Als je de grote muur beklommen hebt dan ben je een held; heb je dat niet gedaan, dan ben je een nul). Maakt niet uit,  het fenomeen blijft toch de moeite  om het te bezoeken nu de toeristenindustrie er nog niet helemaal een Scherpenheuvel van heeft gemaakt.