Een DOUANELEVEN
UIT DE TWEEDE HELFT VAN DE TWINTIGSTE EEUW
49. Volksrepubliek China 2
 
Na een rit van naar schatting een twintigtal kilometer waarin ik de tijd niet in het oog kan houden daar het wriemelende verkeer mijn volledige aandacht wegdraagt, komen we aan bij het "Friendship hotel" dat gedurende vijf weken mijn thuis zal zijn. Het hotelcomplex is een vrucht, ontsproten uit de vriendschap tussen het Chinese en het Russische volk. De Russen bouwden het in de vijftiger jaren in een oosterse, kleurrijke stijl rond een groot park.

Chinese stijl op zijn Russisch zou je deze bouwstijl kunnen noemen. Dat wil dus zeggen: oosters zoals de Russen denken dat oosters er zou moeten uitzien. Het hotel omvat een paar duizend kamers en bestaat uit verschillende gebouwen.
Je komt het hoofdgebouw binnen via een enorme hal. Een centimeter dik, maar reeds tamelijk versleten tapijt op de grond. De lift krucht naar de tweede verdieping waar we kamer 1211 gaan opzoeken. Als je de lift uitkomt, word je onmiddellijk geconfronteerd met een ontvangstcomité. Dit wil zeggen dat, achter een soort toog, een drietal Chinezen je monsterend en nietszeggend aankijken. Zij zijn de bewakers van deze verdieping en moeten ervoor zorgen dat niemand, en zeker geen bezoekers van het andere kunne, de kamers onder hun hoede betreden. En daar wordt niet mee gelachten, want vorige week las ik nog in mijn Belgische lijfkrant dat een Amerikaan die gemeend had deze wet met de voeten te kunnen betreden en een Chinees meisje naar zijn kamer gesmokkeld had, onmiddellijk de Volksrepubliek was uitgewezen.
Aan het einde van de met dik tapijt belegde gang betreed ik een - eufemistisch uitgedrukt - zeer sobere kamer. Het papier hangt reeds bijna veertig jaar tegen de muur en toont hier en daar tekenen van een zodanige vermoeidheid dat het zich een beetje laat hangen. Een vitrinekast, een bureau en twee eenpersoonsbedden, alles in grenenhout. Er is geen kleerkast, enkel een paar grote spijkers in de muur.
Wat ook opvalt, is dat er overal gebouwd wordt. De oude, lemen huisjes die er nog staan, zijn zonder verdieping. Ze staan meestal met hun achterzijde naar de weg zodat je geen enkel raam te zien krijgt. Soms staan ze met enkele tegen elkaar of hebben een gemeenschappelijke binnenkoer waar zich de gezamenlijk te gebruiken voorzieningen bevinden zoals de pomp en het toilet (een plank met een gat in waaronder de vliegen circuleren die je beletten langdurig op het "huizeken" te zitten). Deze oude wijken worden doorkruist door banen die niet breder zijn dan anderhalve meter. De aftandse huisjes moeten nu één voor één wijken voor betonnen, tien-hoge appartementsblokken die de 12 miljoen Pekinezen een dak boven de zwarte haren moeten verzekeren. Om het grauwe beton enigszins op te fleuren, wordt het overschilderd met een dun laagje pastelkleurige verf. Ieder appartementsblok zijn eigen kleur. Handig als je niet kunt lezen of je huisnummer vergeten bent...
De badkamer is voorzien van een ligbad en een soort legkastje aan de muur dat waarschijnlijk door een eerstejaars-leerling van de Technische School, afdeling Houtbewerking, werd vervaardigd door vier plankjes tot een kistje aaneen te klinken. Ik ben een achttiental uren onderweg geweest en meen dus recht te hebben op een lekker bad. Er is water en het is zelfs lekker warm. Als ik mij echter in het bad neervlij, kom ik tot de vaststelling dat dit eigenlijk niets anders is dan een betonnen kuip. Zachtjes blijven liggen, Antoine, als je nog wat van je vel wenst over te houden.

Opgefrist, heb ik diezelfde dag nog eventjes tijd om het hotel te verlaten. Mijn eerste indruk als ik door de brede hotelpoort de straat opdraai, is er één ruimte, groen en drukte. We zitten eventjes buiten het centrum van Peking. De brede lanen met tweemaal drie vakken zijn grotendeels gevuld met alle soorten van vervoermiddelen. Naast en aan weerszijden van de banen lopen minstens drie meter brede fietspaden overvol fietsers die in rijen van vijf, zes naast elkaar voorbijschuiven. Het getingeling van de fietsbellen is niet van de lucht. Ook het traag vorderend verkeer van paarden- en ezelskarren beweegt zich over de fietsstroken.

 

Wordt vervolgd

 

Tekst: Antoine Van Ooteghem

Opmaak: Ilse De Witte