Een DOUANELEVEN
UIT DE TWEEDE HELFT VAN DE TWINTIGSTE EEUW
48.  CHINA
 
 
dolgelukkig heb ik een paar dagen later naar Mister Ryan gebeld dat ik, met goedkeuring van het thuisfront, op zijn voorstel wenste in te gaan. Met geen enkele collega sprak ik over het project, omdat ik bij mijn vorige reis precies enige jaloezie voelde. Opmerkingen over vriendjespolitiek en pogingen om de missie over te nemen, waren te verwachten, want er waren er wel die de vruchten van bepaalde inspanningen wilden plukken als ze er zelf maar niet te veel voor moesten presteren.
Het werd dus zeven mei 1987, daags na onze huwelijksverjaardag. De enige praktische voorbereiding was een meeting met een “native” Chinese mevrouw. Zij drukte me vooral op het hart dat het zeer ongepast is Chinese dames in het openbaar te kussen
Omdat het overvliegen van de USSR toen voor gewone stervelingen nog niet toegestaan was, namen we de zuidelijke route via Dubai. Zo kon ik een enkele uren genieten van de overvloed die de chique taxfree winkels aanboden. Aangezien ik voor rekening van de EG (EU) vloog en buiten Europa, kreeg ik een business plaats wat natuurlijk uitmondde in pure verwennerij. Dat ik bovendien met de beste Duitse maatschappij mocht vliegen, maakte het plaatje helemaal perfect.
Bron: Freepik
Pusan
Eens buiten de luchthaven, kan je niet geloven wat zich voor mijn ogen ontrolde. Het leek wel één grote volksverhuizing, enkel te vergelijken met de taferelen die ik mij nog vaag herinner van de vlucht aan het eind van de laatste wereldoorlog. Alles wat kon rijden, was in beweging. Gammele autobussen, afgeladen met mensen toeterden zich een stinkende weg tussen de vrachtwagens, de camionetten (allemaal des te ouder en afgeleefd), jeeps, moto's (met en zonder sidecars), met paarden bespannen wagens volgeladen met mensen en goederen en honderden fietsen. 


In de ruime hal van de luchthaven meldde zich niemand aan om mij af te halen. Dat was best vervelend want ondanks mijn aandringen gedurende de voorafgaande dagen, was ik naam, adres noch telefoonnummer aan de weet gekomen van het hotel waar men mij dacht onder te brengen. Alle vragen om informatie ketsten af op een Oosterse geheimzinnigheid. Alsof mijn verblijf in China een zaak van staatsbelang zou zijn ...

Ik stond er al meer dan een half uur in die luchthaven rond te draaien en begon serieus te overwegen om een onmiddellijke terugtocht te boeken met mijn heen-en-terug biljet van 120.000 frank. Uiteindelijk kwam er dan toch een kortgeknipte Chinees op me af die vroeg of ik misschien "Mister Ven Otiechiem" was.
"Please to meet you, mister, heu" "My name is Bai, Shuqiang. Excuseer dat ik wat laat ben, maar ik dacht dat al die vliegtuigen van ginder achter wel wat vertraging zouden hebben."
Tiens, en ik die dacht dat Chinezen zulke stipte mannetjes waren.... Diegenen die ik in België ontmoette, waren dat in ieder geval wel maar ja, die waren waarschijnlijk speciaal uitgezocht en opgeleid. Zoals ze bijvoorbeeld ook speciaal geoefend werden in het uitspreken van de "r" vooraleer ze naar het Westen kwamen.
"Call me Tuan" zei ik tegen Bai. "Zelfs mijn voornaam is voor jou niet uitspreekbaar," dacht ik erbij. Dat wist ik uit ervaring met zijn gele broeders op mijn thuisbasis. Ik stelde hem dus voor de Antwerpse uitspraak (Tuan) van mijn Franse voornaam (Toine) te gebruiken. Dat klonk waarschijnlijk als Chinees in zijn oren, want hij nam mijn voorstel graag aan.
Wanneer je dan vanuit Frankfurt via Dubai richting Peking vliegt en je vliegtuig zodanig begint te dalen dat het door de wolken priemt, verwacht je dat er een landschap opduikt zoals je dat in je verbeelding hebt opgebouwd onder invloed van afbeeldingen op theeserviezen en koekjestrommels. Je denkt treurwilgen te zullen zien die zich neerbuigen boven idyllische meren. Je hoopt verspreid over het landschap tempeltjes en pagoden van verschillende verdiepingen hoog te zullen waarnemen, maar niets van dat alles ...
Onder de buik van het reusachtige tuig dat gedurende 17 uur met mij en nog honderden andere passagiers de helft van de wereld rondzeulde, ontrolde zich een desolaat landschap van moerassen en onherbergzame kraters. Net een maanlandschap: grijs en grauw, zonder enige begroeiing, plant noch boom. Dichterbij de hoofdstad "Beijing” - de naam die de Chinezen verkiezen voor hun hoofdstad - ging die desolate vlakte over in een agrarisch gebied met duidelijk afgelijnde percelen. Rijst wellicht, dacht ik toen, voor zover ik nog kon denken na al die uren onderweg.

Het had nogal wat voeten in de aarde eer ik de lucht in kon. Je gaat het niet geloven maar men moest mijn reis drie dagen uitstellen, omdat er op alle vluchten naar Beijing (Peking) niet één plaatsje vrij was in businessclass. Niet dat we met een klein vliegtuigje vlogen want we hadden een Boeiing 747-400 en dat is een machientje waar naar schatting makkelijk meer dan driehonderd passagiers een plaatsje in kunnen vinden. De opendeurpolitiek van kameraad Deng Tsjao Peng had duidelijk aangeslagen bij de westerse industriëlen, die samen met mij op de luchthaven van de hoofdstad van de Peoples Republic of China werden uitgeschud en zonder moeite voorbij de douane- en immigratiediensten werden gerangeerd. No problem.


Die waren op hun beurt ook geladen en als ze ongeladen rondreden, hing er vaak nog een aanhangwagentje aan. Er heerste een kakofonie van jewelste, ontstaan uit het geronk van auto's, het geratel van karren en daar bovenuit het onafgebroken gerinkel van fietsbellen. Het verkeer kabbelde aan een zeer lage snelheid voort. Ieder trok zijn plan en deed zijn zin. Een reglementering was er blijkbaar niet. Hier gold uitsluitend de wet van de sterkste.
Wordt vervolgd

Tekst en foto: Antoine Van Ooteghem