Een DOUANELEVEN
UIT DE TWEEDE HELFT VAN DE TWINTIGSTE EEUW
46. DIENSTREIZEN: ZUID-KOREA (Deel VII)
 
Naar Pusan
 
Geloof het of geloof het niet maar we HEBBEN OOK GEWERKT, vooral door het grote aantal meetings met directeur-generaal Kim Kee In, de grote baas van de douane en tevens viceminister van Financiën. Hij staat op de bijgaande foto samen met de baas van de Opsporingsdienst en mijn begeleider Kim Eki.

Ondanks zijn hoge graad was mister Kee een zeer beminnelijke man zonder enige kapsones. Naargelang mijn bevindingen moest ik regelmatig verslag uitbrengen. Alles was bij iedere passage picobello in orde en Mister Kee In was werkelijk in de wolken over mijn voorstellen met uitzondering van de vergadering op de laatste dag. Mijn secretaresse had ernstige steken laten vallen bij het typen van het eindverslag. In die tijd was er nog geen sprake van vlug een tekstje op te roepen, de verbetering aan te brengen en opnieuw af te printen. Dit was nog de tijd van de stencil. Hee Soo had namelijk een stukje tekst moeten vervangen. Om dit te corrigeren had ze de keuze:  ofwel moest de volledige stencil van het betreffende blad opnieuw getypt ofwel moest een stukje papier met de betere tekst boven op de foute tekst geplakt worden om vervolgens te kopiëren. De grote baas was natuurlijk niet tevreden over de presentatie. Voor een volledige “remake” was er echter geen tijd meer, zodat ik beschaamd  mijn excuses heb moeten aanbieden aangezien ik natuurlijk de fout op mij genomen had. Met een goede fotokopie was het probleem echter zo goed als van de baan.
Onze eerste dienstreis in Korea ging naar de havenstad PUSAN, helemaal in het Zuiden van Korea. Eki en ik hadden afgesproken om de heenreis te doen per vliegtuig en de terugweg te maken per trein zodat we dan een stukje de toerist konden spelen.
Alhoewel we beiden goed op tijd op de luchthaven waren aangekomen, geraakten we aanvankelijk niet de lucht in. Het probleem was dat mijn naam te lang was en de letters dus niet in de vakjes op de nodige formulieren konden ingevuld worden. Met mijn Koreaanse naam (BAN !) werd het probleem netjes opgelost.

Eens we een beetje hoogte kregen, zagen we een sprookjesachtig schouwspel van een landschap dat overdekt was met tientallen “tumuli” wat begraafplaatsen zijn van alle vroegere heersers. In tegenstelling tot de Egyptische graven blijkt het merendeel van deze piramiden nog niet geopend zodat hier waarschijnlijk nog heel wat verrassingen zich onder de grond verschuilen.

Mijn taak bestond erin uit te zoeken op welke manier de werkmethoden zouden kunnen vereenvoudigd en gerationaliseerd worden. Ook op het stuk van boekhouding. Voor dit laatste moest ik dus een onderzoek doen op het hoofdkantoor van de douane van Pusan.
Wij werden wel met stijl door de collega’s ontvangen en werden natuurlijk uitgenodigd voor een toertje met de douaneboot. Hier deed zich bijna een serieus incident voor toen ik, onschuldig zoals steeds, een foto nam van kust. De begeleidende collega stootte mijn camera uit de richting terwijl hij brulde dat het nemen van foto’s van de kust, om militaire redenen, niet toegelaten was. Gelukkig bleef de collega niet kwaad en kwam hij zich zelfs verontschuldigen. Hij vroeg begrip omdat zij nog steeds in oorlog waren met het Noorden en ten gevolge daarvan nogal eens overdreven durfden te reageren op sommige gebeurtenissen. Om het goed te maken nodigde hij mij uit om die avond  deel nemen aan een banket dat door een firma aan de douanetop van Pusan werd aangeboden. Een prachtig feest, maar eentje waarbij iedereen op zijn beurt een liedje moest zingen. Ik werd er trouwens ook toe verplicht. Ik bracht het lied van de kikkermoeder die met  haar jong aan de oever van de Dijle zat en hem de moordenaar van zijn vader toonde. Toen ik luid en voldoende lang was blijven staan op de passus waarin de kleine op de kl…n van de snoodaard zal slaan, was het enthousiasme buitengewoon, net alsof zij er iets van zouden begrepen hebben?
Ik stelde aan de ambtenaren die de vergaderingen bijwoonden een reeks vragen waarop ik eigenlijk onvoldoende accurate antwoorden kreeg. Ik stond daar niet van te kijken want als bij onze Administratie een wildvreemde zou proberen de pieren uit onze neus te halen, zou die waarschijnlijk ook wel bot vangen. “Die zijn spel verklapt, die is het beu” klinkt dat in de Vlaanders.




Tekst en foto's: Antoine Van Ooteghem
Titelfoto: Freepik

Wordt vervolgd

De dag nadien namen we de trein terug uit Pusan naar Seoel. Luxueuze voertuigen, iedere keer stipt op tijd. Niet te geloven!

Wij stopten in KYONGJU; een stadje van ongeveer 200.000 inwoners dat in de 7e tot en met de 9e eeuw de hoofdstad was van het Silla koninkrijk wat heerste over grote delen van Zuid-Korea
Vooral de goudschatten die uit de tumuli gehaald zijn, kregen onze speciale aandacht maar ook de tonnen zware gong die de onafhankelijkheid ingewijd had, verdient een speciale vermelding.
Ook moesten wij natuurlijk de tweede grootste haven bezoeken. We werden er door de ontvanger zeer vriendelijk verwelkomd en als eerbetoon mocht ik een klok in ontvangst nemen. Ik was daar wel niet zeer gelukkig mee want het stuk was een hangklok van een goede halve meter hoog. Daar had ik geen plaats voor in mijn bagage zodat de klok bij een bevriende collega is achtergebleven.
Bij mijn bezoek aan het Kantoor viel het mij op dat er toch reeds enkele elektronische apparaten aanwezig waren. Het leek me wel heel vreemd dat aan een uit de kluiten gewassen boekhoudmachine twee ambtenaren aan het werken waren. Eén richtte zijn aandacht op het scherm van het toestel en de tweede was intensief bezig op een telraam. Op mijn vraag wat dat te betekenen had, antwoordde de ene ambtenaar dat de man met het telraam controleerde of de resultaten die uit het moderne toestel kwamen wel degelijk correct waren!!
Dat mijn bezoek geapprecieerd werd, bleek toen ik door de collega’s  op een prachtig diner werd uitgenodigd. Een gebeurtenis die, zoals beide partijen beaamden een voortzetting zou mogen vinden bij het bezoek van de Koreaanse collega’s aan Brussel of Antwerpen. Dat dit geen loze beloften waren, is later gebleken toen mijn begeleider Kim Eki gedurende een lange termijn bij de Internationale Douaneraad heeft gewerkt en wij toen regelmatig contact hadden. Dit duurde tot op het moment waarop Eki benoemd werd in Genève,  want toen is hij uit mijn leven verdwenen zonder enig teken.
Typisch Oosters zeker?
Bron: Freepik
Pusan